Studiekostenbeding

Studiekostenbeding

Werkgevers investeren vaak in werknemers op het gebied van kennis en vaardigheden. De werkgevers die dat doen willen werknemers uiteraard aan zich kunnen binden, hoewel de werknemer in beginsel is vrij om zijn kennis, ervaring en vaardigheden mee te nemen. De werkgever kan met de werknemer een opleidingskostenbeding overeenkomen, maar hoe zit met de vereisten waaraan een dergelijk beding moet voldoen, wil een werkgever daar met succes een beroep op kunnen doen?

Een opleidings- of studiekostenbeding is een beding waarbij de werkgever en de werknemer overeenkomen dat de werknemer (meestal) bij het einde van de arbeidsovereenkomst studiekosten aan de werkgever terugbetaalt. Vaak verplicht de werknemer zich om alleen onder bepaalde voorwaarden terug te betalen, bijvoorbeeld wanneer de werknemer de arbeidsovereenkomst opzegt (al dan niet binnen een bepaalde periode na het afronden van de opleiding), wanneer de werknemer de werkgever een dringende reden voor het eindigen van zijn arbeidsovereenkomst heeft gegeven, of wanneer de werknemer de opleiding niet met goed gevolg afsluit. De omvang van de terugbetalingsplicht varieert, van studiekosten ‘in enge zin’ zoals studiemateriaal, inschrijf- en examenkosten tot ‘alle’ studiekosten, waaronder loon voor de periode waarin de opleiding is genoten en de werkzaamheden niet zijn verricht.

Wettelijk kader

Wettelijke regels – los van het algemeen verbintenissenrecht- zijn niet van toepassing op het studiekostenbeding en partijen zijn in beginsel vrij overeen te komen wat zij willen. In de praktijk blijkt dat rechters in het kader van ‘goed werkgeverschap’ artikel 7:611 BW of de ‘redelijk en billijkheid’ artikel 6:248 lid 2 BW veelal de bedingen matigen of tenietdoen. In een klassiek arrest heeft de Hoge Raad voorwaarden gesteld waaraan het studiekostenbeding zou moeten voldoen.

Voorwaarden studiekostenbeding

De Hoge Raad heeft in het arrest Muller Zeesleepdienst/Van Opzeeland (HR 10 juni 1983, NJ 1983, 796) bepaald dat het systeem van de wet zich niet zonder meer verzet tegen bedingen die de werknemer verplichten alle studiekosten terug te betalen. De Hoge Raad stelt wel voorwaarden, zowel voorwaarden aan het beding zelf als bijkomende voorwaarden.

Voorwaarden aan het beding zelf zijn:
1.    vaststelling van de periode waarin de werkgever geacht wordt baat te hebben bij de door de studie opgedane kennis en vaardigheden,
2.    (uitdrukkelijke) vaststelling van de verplichting van de werknemer om, indien de arbeidsovereenkomst tijdens of onmiddellijk na afloop van de studieperiode eindigt, het loon over die periode aan de werkgever terug te betalen,
3.    de terugbetalingsverplichting moet tijdens de vastgestelde periode evenredig afnemen (dus een glijdende schaal bevatten).

De Hoge Raad begrenst het studiekostenbeding verder door randvoorwaarden te stellen:
1.    bijzondere wettelijke regels kunnen grenzen stellen aan hetgeen partijen kunnen overeenkomen, bijvoorbeeld de WMM,
2.    een studiekostenbeding heeft voor de werknemer zulke ernstige gevolgen dat dit duidelijk aan hem uiteengezet moet zijn,
3.    het initiatief voor het ontslag ligt niet bij de werkgever.

Recente lagere rechtspraak

In lagere rechtspraak, bijvoorbeeld in JAR 2008/303 oordeelde de Kantonrechter te Haarlem dat de consequenties van het beding aan werkneemster niet voldoende uiteengezet waren. Werkgever, een deurwaarderskantoor had aan werkneemster, een incassomedewerkster, niet duidelijk uitgelegd wat hij bedoelde met het moeten terugbetalen van ‘verzuimuren’. Werkgever vorderde in totaal bijna € 18.000,--, bestaande uit lesgeld, literatuur, reiskosten en verzuimuren. Werkneemster diende uiteindelijk wel ruim € 5.000,-- terugbetalen aan lesgeld, literatuurkosten en reiskosten, maar niet aan verzuimuren.

Bij de Kantonrechter Amersfoort speelde de kwestie waarin de werkgever het initiatief had genomen het dienstverband (jaarcontract) niet voort te zetten, aangezien hij ontevreden was over de prestaties van de werknemer. Werkgever had bij de eindafrekening een bedrag van € 1.441,58 ingehouden wegens studiekosten. De werknemer vorderde met succes terugbetaling van de inhouding. De Kantonrechter overwoog dat door de terugbetalingsverplichting het werkelijk genoten loon van de werknemer onder het wettelijk minimum loon daalde en dus in strijd was met artikel 8 WMM. Het leverde daarom een nietige rechtshandeling op JAR 2009/132.

In JAR 2009/137 oordeelde de Kantonrechter te Utrecht dat er een geldig studiekostenbeding was overeengekomen tussen Rabobank en een (ex-)trainee-accountmanager. Er was immers sprake van een vermindering van de terugbetalingsverplichting van de werknemer naar evenredigheid van het voortduren van de arbeidsovereenkomst. In de van toepassing zijnde Rabobank-CAO stond echter een regeling opgenomen waarin staat dat alleen kosten voor een ‘carrièregerichte opleiding’ hoefden worden terugbetaald. Volgens de kantonrechter was in dit geval géén sprake van een carrièregerichte opleiding (trainee opleiding), maar een opleiding voor aanstaande en nieuwe personeelsleden die hun op hun werkzaamheden bij de werkgever moesten worden voorbereid.

Het is dus niet altijd zo eenvoudig om als werkgever de gemaakte studiekosten terug te vorderen.

Mr. Jacqueline Lauwen

Van Zandvoort & Lauwen Advocaten Oss

http://zandvoortlauwen.nl/advocaten

Written by Jacqueline Lauwen